Scheepvaart in Groningen toen en nu - historie in vogelvlucht
Groningen is ontstaan uit twee nederzettingen op de noordelijke uitlopers van de Hondsrug. De ene nederzetting was in de buurt van het Martinikerkhof en de Grote Markt en zou later uitgroeien tot het bestuurlijk centrum van de stad. De andere ontstond aan het riviertje de A, in de omgeving van de Brugstraat. Dit zou het latere handelscentrum worden.
Hoge der A rond 1900 en nu.
De oudste haven lag tussen de huidige Vissersbrug en de Museumbrug, de pakhuizen aan het Hoge en Lage der A herinneren daar nog aan. De Brugstraat was de hoofdstraat van het handelscentrum.
Hanzestad Groningen en de Veenkoloniën
Al in de dertiende eeuw voeren de Groningers met hun schepen naar Engeland, Noord-Duitsland en het Oostzeegebied. De stad werd zelfs opgenomen in het Hanzeverbond. In de 14e en 15e eeuw raakte de buitenlandse handel in het slop, mede door de neergang van de Hanze. De stad zocht het dichter bij huis en richtte zich op de ommelanden.
Houten turfschip onder zeil / turfschip op het Schuitendiep in Groningen
In dezelfde tijd startte men met het afgraven van de venen in de provincie. Voor de afwatering en het transport van de turf groef men kanalen en wijken. De turfschepen werden daar ter plekke gebouwd en zo ontstond er een veenkoloniale scheepvaart en scheepsbouw. De turfgravers zorgden voor een perfecte infrastructuur. Bijna elke boerderij, elk woonhuis en ieder perceel land was per schip te bereiken en dat in een tijd waar vervoer over water de belangrijkste vorm van transport was. Deze goede infrastructuur lokte ook ondernemers die bedrijven langs de kanalen gingen vestigen. Met de groei van de dorpen en toename van het aantal bedrijven nam de vraag naar laadruimte ook toe. In de 19e eeuw en 20e eeuw vonden honderden binnenvaartschepen hun thuishaven in de Groninger Veenkoloniën.
Zeevaart - van Groningen naar Engeland, Duitsland en Scandinavië
In de loop van de 19e eeuw begon ook de zeevaart weer te groeien. Twee dingen droegen hieraan bij. Als eerste nam de vraag naar hout in de veenkoloniën toe. Het hout uit de Drentse bossen was lang niet meer genoeg. Men keek verder en keerde terug met hout uit Noorwegen. Ten tweede zakte in 1830 de Hollandse economie in. Dit werkte door op de turfhandel in de veenkoloniën. Tientallen binnenvaartschippers lieten toen noodgedwongen hun schip registreren als buitenvaarder. Met relatief kleine schepen voer men onder andere op Engeland, Duitsland en Scandinavië.
Groninger Zeetjalk "Vier Gebroeders" (1893), Koftjalk "Voorwaarts Voorwaarts" (1899), Koftjalk "Neerlandia" (1910) - gebouwd in Groningen
Sommige schippers keerden na herstel van de markt weer terug op de binnenvaart, maar een groot aantal bleef de zeevaart trouw. Deze schippers lieten grotere schepen bouwen op veenkoloniale werven. Vooral langs het Winschoterdiep, tussen Hoogezand en Groningen, kwam de scheepsbouw tot bloei. Omstreeks 1860 had bijna de helft van alle Nederlandse zeeschepen hun thuishaven in de Groninger veenkoloniën. Toen waren het uitsluitend zeilschepen.
De zeilende vrachtvaart verdwijnt - Groningen bouwt coasters
De schepen die op de vele werven in de stad en de provincie van stapel liepen, waren tot eind 19e eeuw van hout. Toen ijzeren schepen elders goed bleken te voldoen, stapte men in Groningen ook over op ijzerbouw. Vanaf 1914 plaatste men de eerste motoren en ontstonden de zeilschepen met hulpmotor. De motoren werden sterker, de zeilen werden kleiner. Men sprak toen van motorschepen met een hulpzeil. Vanaf begin dertiger jaren verdwenen de zeilen, toen de motoren ook volgens de verzekeraars echt betrouwbaar waren. Het einde van de zeilende vrachtvaart was aangebroken. De laatste grote zeilende vrachtschepen op zee - toen met tot 5000 ton lading - verdwenen in de 60er jaren.
Groninger coasters Atlantic en Rika - het zeil verdwijnt
De Groninger zeeschepen - motorschepen - groeiden uit van circa 100 ton naar 300 ton. Scheepsbouwer Koster ontwierp een nieuw model, dat later bekend zou worden als de zogenaamde Groninger coaster, die in de Westeuropese wateren heel populair werd. Enkele bijnamen waren 'grey devil' of 'Groninger potje'.
Vaarwegen door Groningen - de Noorderhaven als getijdenhaven
Via het Reitdiep stond Groningen in open verbinding met de zee. De Noorderhaven was een getijdenhaven. Je had de grote Spilsluizen ter hoogte van de Ossenmarkt en de kleine Spilsluizen bij de Vissersbrug. Het Reitdiep was een moeilijke en gevaarlijke vaarweg, zeker toen de schepen steeds groter werden. De stroom, die door de getijden ontstond, verlegde de geulen en zorgde voor ondieptes. Men sloot het Reitdiep af in de buurt van Zoutkamp, waardoor eb en vloed verdwenen en daarmee de ergste stroming. Desondanks bleef het voor de grote schepen een lastige vaarweg.
Nog in de 60er jaren lagen coasters in de Noorderhaven
Het Damsterdiep werd voor de groeiende schepen ook te ondiep en te smal. Daarom groef men het Eemskanaal naar Delfzijl, dat in 1876 werd geopend. Groningen profiteerde hier niet echt van. Delfzijl ontwikkelde zich in snel tempo tot een voorhaven, wat ten koste ging van Groningen als havenstad.
De grotere schepen namen meer lading mee naar Groningen daarom werden aan de Noorderhaven en de Aa aan de buitenkant van de diepen grote pakhuizen gebouwd. De Oosterhaven kreeg zijn huidige vorm en ook daar verschenen enorme pakhuizen. Tot in de jaren zestig meerden in Groningen coasters af.

De zeilchartervaart met gasten redt honderden historische schepen
Van de rond 20.000 zeilende vrachtschepen rond 1900 waren in de '60-er jaren slechts een paar rompen overgebleven. Er voeren nog enkele vroegere zeilschepen die qua laadruimte net groot genoeg waren voor de vrachtvaart op kleinere vaarten - maar ze voeren wel zonder masten dus alleen op de motor. Maar ook deze werden snel te klein om nog rendabel te zijn.
Duizenden van schepen werden gewoon gesloopt of werden als casco's voor woonschepen gebruikt. In deze periode kwamen enkele enthousiaste jonge mensen op het idee dat men de oude zeilvrachtschepen ook zou kunnen gebruiken om met gasten te zeilen. Men wilde ermee niet het grote geld verdienen maar dacht tenminste de kosten te kunnen bestrijden. Passende cascos waren overal te vinden en vrij goedkoop. Ze waren wel slecht of helemaal niet onderhouden en jonge mensen investeerden vaak jaren of zelf decennia van hun leven erin om er weer een zeilend schip van te maken. Bijzonder in de beginperiode van de zeilende chartervaart waren de schepen vaak roestig en smerig zodat de gasten niet slechts bruin van de zon terug kwamen van een reis. De zeilchartervloot kreeg toen snel de naam Bruine Vloot.

Inmiddels is deze Bruine Vloot uitgegroeid tot een landelijke vloot van 540 schepen. Men vaart 1,5 miljoen "gastdagen" per jaar en draaid een gezamenlijke omzet van zo'n € 46 miljoen. De gasten geven daarnaast nog € 47 miljoen per jaar in havens uit. De gemiddelde omzet per schip is rond € 78.000 per jaar. Gezien de kosten voor onderhoud en steeds nieuwe veiligheidseisen is dat nog steeds geen vetpot voor de schippers - bijzonder niet voor de schippers van kleinere schepen. Maar inmiddels leven hele bedrijfstakken van de bedrijfsuitgaven van de schippers. En de gasten zijn enthousiast. De Bruine Vloot is een wereldwijd uniek verschijnsel. Nergens ter wereld bestaan zo veel varende historische zeilschepen als in Nederland. Ook voor toeristen die niet naar Nederland komen om te zeilen is de toeristische aantrekkingskracht van binnensteden met historische zeilschepen heel groot. Het lijkt wel dat niemand langs een historisch schip kan lopen zonder ernaar te kijken. Wie kent ze niet, de toeristen die foto's nemen van de schepen aan de Hoge der A?
Zeilcharterschepen op het wad - zeilen zoals 100 jaar geleden - maar wel naar actuele veiligheidseisen gekeurd.
De Bruine Vloot is in de afgelopen 10 jaar met 50% gegroeid. Dat betekent dat in Groningen 's winters inmiddels 50 historische zeilschepen zouden moeten liggen - i.p.v. de tegenwoordig 24. De oorzaak van de ontbrekende groei van de Groninger chartervloot is tenminste voor een deel te danken aan de onzekerheid betreffende de ligplaatsen.
Een Zuiderhaven waarin geen zeilcharterschepen mogen liggen past niet in deze tijd. Uit toeristisch oogpunt zou de nu saaie Zuiderhaven betrekkelijk opknappen als er een paar scheepsmasten te zien waren. Ook het beeld van de Noorderhaven zou verfraaien, als daar enkele charterschepen zouden overwinteren.

Kerstboom in de mast - en traditie in de zeevaart
“In de haven of op het ruime sop….alle schepen een kerstboom in top”  Zo luidde de slagzin van het zeemanscollege "De Groninger Eendracht". Het hijsen van de kerstboom is in Groningen bekend vanaf de jaren 50, toen enkele kustvaarders dit deden. Daarbij is ons het verhaal te ore gekomen dat de Groninger thuisvaarders vanuit Scandinavië met de kerstboom in top te kennen gaven op thuisreis te zijn en dat zodoende de minder gelukkigen, die niet met Kerst thuis konden zijn, aan de thuisvaarders hun post mee konden geven. De traditie van het hijsen van de kerstboom in de mast bestaat nog steeds. Elk jaar komt een boot van de Groninger schippersvereniging ook bij onze schepen langs om een kerstboom en een verenigingsblad te brengen.
design en programmering: www.bohnstedt.nl